Niedekker schrijft mooi en lyrisch. Hij benadert het leven van beide jongens - maar vooral met aandacht voor de Nederlander - door korte beschrijvingen te geven van incidentele gebeurtenissen, zonder dat ze noodzakelijk met elkaar in verband staan, als een soort foto-album van kiekjes. Die zijn precies en vaag tegelijk, concreet maar ook heel abstract omdat de jongens niet alleen naamloos zijn, maar ook amper gevoelens hebben. Hun realiteit wordt afstandelijk beschreven, zonder veel in de diepte te gaan. De emotionele interpretatie ligt bij de lezer.
Het spiegeleffect van de twee jongens is een mooie vondst. Het creëert een bijna magische sfeer van grijze zones en vervagende grenzen: tussen tijd en ruimte, tussen waarheid en fantasie, en tussen mensen, ongeacht hun afkomst. Op de achtergrond speelt Niedekker bovendien met de muziek en politiek van de jaren zeventig. Zo passeren namen als Genesis, Mike Oldfield en Bowie, naast politieke figuren als Willy Brandt, Joop den Uyl, Olof Palme en Julius Nyerere.
Net als de impressionistische schilderijen van Monet en Manet, naar wie in de roman meermaals wordt verwezen, bestaat ook Niedekkers roman uit snelle indrukken: kleine, naast elkaar geplaatste kleurvlakken die samen veel licht en helderheid oproepen. De zon en het leven flikkeren door de snapshots uit het leven van de jongens. Toch leveren al die indrukken nog onvoldoende spankracht of spanning op om de lezer werkelijk in hun greep te houden. Zijn lyrisch proza is als een stilleven, een waar niets of weinig in gebeurt.
