Wednesday, August 5, 2026

Safae El Khannoussi - Oroppa (Pluim, 2025) ****


Om maar even met de prijzen te beginnen: winnaar van de Libris Literatuurprijs 2025, winnaar van de Boon 2025, geshortlist voor de Hebban Debuutprijs en de Bronzen Uil, en genomineerd voor de Amsterdamprijs voor de Kunst. "De verhalen in deze roman vormen een hallucinante reis langs de culturen die het nieuwe Europa vormen. Het is een pageturner waar de urgentie van afspat.[...] Dit is Nederland, dit is Europa, dit is literatuur als het festijn van woorden en metaforen dat het hoort te zijn," zo schreef de jury van de Libris Literatuurprijs.

Dat is heel wat, en het creëert heel veel verwachtingen bij de lezer, die grotendeels worden ingelost. El Khannoussi schrijft met een aanstekelijk enthousiasme en creëert een hele reeks personages, plots en subplots in de verste hoeken van onze wereld, van Amsterdam naar Parijs, Tunis, Caïro en Casablanca. Ze beschrijft een wereld van mensen met migratie-achtergrond voor wie de plek waar ze leven niet uitmaakt: alle contacten zijn uitgewaaierd over heel Europa en Noord-Afrika, wat leidt tot netwerken van familie en kennissen. Het merkwaardige is dat deze 'subcultuur' vaak meer Europees is dan de Europeanen, die toch vaak in eigen land (of onder eigen kerktoren) blijven zitten.

Het verhaal gaat als volgt: Salomé Abergel, een gevestigde Joods-Marokkaanse kunstenares en voormalig politiek dissidente, verdwijnt op het hoogtepunt van haar carrière. Een groep buitenbeentjes, stuk voor stuk met een migratieachtergrond, raakt betrokken bij haar mysterieuze verdwijning. Hind el Arian, parttime serveerster en fulltime wietroker, moet tijdens Salomés afwezigheid op haar schilderijen passen. Irad Abergel, Salomés zoon en eigenaar van een bar in Parijs, wordt achtervolgd door het verleden van zijn moeder. En Yousef Slaoui, ook bekend als ‘De Pelgrim’, arriveert in Europa en probeert in het reine te komen met zijn daden als beruchte ondervrager in de geheime gevangenissen van Marokko tijdens de ‘Jaren van Lood’.

Maar het gaat bij El Khannoussi niet om "het perspectief van de migrant over de Europese samenleving". Nee, haar insteek is vooral literair, een zoektocht naar mensen, een zoektocht naar verborgen geheimen, en een confrontatie met het eigen Marokkaanse verleden. Ze slaagt erin de verschillende, heel persoonlijke perspectieven van haar personages tegen elkaar te doen botsen, door een caleidoscopisch beeld te geven van ineengestrengelde levens, vaak tegen wil en dank. Het boek is boeiend en goed geschreven.

En ondanks de literaire insteek, heeft het ook een sterk maatschappelijke relevantie, en - uit de mond van de beul - een kritiek op de Marokkaanse dictatuur, met haar martelpraktijken en nog altijd de onderdrukking van de Imazighen, verkeerdelijk 'berbers' genoemd.

"Dit nationale beschavingsproces, zoals ze het noemden, werd in gang gezet teneinde he·t volk te verzoenen met de barbaarse praktijken, al dan niet legitiem (maar wie heeft het over legitimiteit), van gezichtsloze bewindvoerders en hun handlangers die tientallen jaren de grofste schendingen pleegden zonder daarbij aan vurigheid in te boeten. Er werd zelfs gezegd dat men nog bedrevener was in het koste wat kost handhaven van de sociale orde, dan in de strijd tegen de Franse kolonisator. Een verzoeningspoging was alleen mogelijk door de rechtvaardigheid van Zijne Hoogheid, de troonopvolger, teneinde de gruwelijke groeikrampen van de onafhankelijke staat uit het geheugen van de mensen te wissen. 

En zo werd de nieuwe eeuw ingeluid met het gejammer van die onafhankelijken: de boeren, de stokbroodmartela­ren, de Imazighen uit de Rif, Zghanghan, Berkane, Nador, Al Hoceima, Oujda, en de Jebala in het noordwesten. On­der de zegenende hand van de troonopvolger, die tussen zijn ruziënde kinderen rust en vrede kwam brengen, trad het vaderland, met de voorspoed van zijn heilige bloedlijn,een schitterende toekomst tegemoet, vol wolkenkrabbers en aandelen, toegejuicht door een buitenzinnige menigte, de armoedzaaiers voorop, die vol bewondering hun tan­deloze bekken vergaapten aan de pracht en praal van hun Meester. Ja, die armoedzaaiers, die geslagen, gemartelde, uitgehongerde, verweesde kinderen, die wilden zich maar al te graag beklagen over de ramp die hun was overkomen. Tijdens de publieke hoorzittingen bestormden ze de hek­ken van de conferentiezalen, ze vochten om de eerste rij, streken zonder enige gene zelf s neer op de grond, gretig gevolgd door camera's. Die oubasj, maden in de zieke huid van het vaderland. Waren de Marokkanen zo onnadenkend en zulke kinderen geworden dat zij zich door de wind lieten meevoeren als een veertje, dacht Slaoui. Waren ze bereid zich publiekelijk voor een muntje en een vod hun reputatie zo te grabbel te gooien? Waren zij op zo'n dieptepunt be­land? Na jarenlange opsluiting waren het nog altijd de kin­deren en het tuig van toen. Uitschot uit Nador, Al Hoceima, Tetouan, Ksar-el-Kebir. Uitschot dat nog altijd werkloos was en van smokkel en diefstal leefde, behalve dan die vij­geneters die nog altijd onder een lemen dak tussen hun vee leefden. Ze stonden nog niet voor de leden van het comité of ze trokken hun kleren al uit om de littekens te vertonen; zonder enige schaamte vertelden ze over de vernederingen die ze hadden moeten doorstaan, een jammerklacht die hem, Yousef Slaoui, die slechts zijn brood ervan had gege­ten, zijn sigaretten ervan kocht, met zo'n walging voor de menselijke zwakte vervulde dat een latente razernij zijn verouderde spieren dagenlang tergde. Wat was dit voor ge­zicht? Was dit het toneel van de natie: een bende werkloze bedelaars? Goed, je had er een paar tussen die mooi kon­den praten, met wie ze op het commissariaat af en toe zelf s een gesprek aanknoopten omdat je van die lui nog eens wat kon opsteken, maar het merendeel bestond uit jammeren­de, in vodden gewikkelde nietsnutten, die in kluitjes naar de criminele rechtbank werden geescorteerd, waar ze, zo werd gezegd, hun vonnis knikkebollend aanhoorden. Maar de jarenlange vervolging, marteling, en, toegegeven, zelfs moord leken geen enkel effect te hebben gehad op hun hoe­veelheid: in honderdtallen drongen ze zijn televisiescherm binnen, hun gezichten gehavend als een terrein dat door ja­renlange droogte is geteisterd.    
De vrouwen, ziek van hart, met een etterende wond op de plek waar hun geslacht had moeten zitten, kamden de laatste plukjes haar van hun schedel en vormden colonnes om hun arriverende menner de hand te kussen, de hand die hun grijpgrage klauwen, hun met saliva glimmende, preve­lende lippen behendig ontweek. Hij wilde niets liever dan het televisiescherm in kruipen, om dat gejammer eens en voor altijd te smoren, die schandelijke vertoning van slacht­offerschap, dat kruiperige gejank als van een getrapte hond.  
Maar het ergste van alles was de vernederende verto­ningen die niet alleen de getuigen en de slachtoffers maar het hele volk een absoluut dieptepunt in werkten. Terwijl de alcohol zijn protesterende ingewanden lam spoelde, had Slaoui in zijn keuken gezeten, een eeuwig brandende sigaret balanceerde op de rand van de asbak, hij vloekte hard­op en likte zijn gebarsten lippen nat. Boven het gebrom van de koelkast, en het getik van de regen tegen het raam, het stoten van zijn knie tegen de lage tafel, weersprak hij de aantijgingen, maar nog vaker corrigeerde hij de bewerin­gen, lachte spottend om de onhandige beschrijvingen van de getuigen, schold hen uit voor ezels en ongeschoolde be­doeïenen. Toen de marteltechniek van het vliegtuig voor het eerst ter sprake kwam, was hij in een onbedaarlijke lachbui geschoten. Op nationale televisie werd het vocabulaire uit de clandestiene martelkamers uitgezonden: de parkiet, het vliegtuig, de hond, de kokende voeten. Woorden die hij in geen jaren had gehoord. Af en toe werden de minutieuze be­schrijvingen onderbroken door een huilbui, een interventie, de aankondiging van een nieuwe spreker. Dan liep hij naar de WC om zijn blaas te legen, of naar de koelkast om een blik­je te pakken, een boer te laten, zijn achterste van de stoel te tillen en de jeukende plek te krabben. Of naar de woonkamer te lopen, om zich heen te kijken, zich af te vragen of de men­sen die toen de opdrachten hadden gegeven dezelfde waren die opdracht hadden gegeven om een dergelijke klucht op nationale tv uit te zenden, of ze die gehavende bedoe1enen met hun rode ogen en hun tandeloze bek betaalden om het tijdperk van de slappe meute aan te kondigen. Maar bovenal verbaasde het hem dat de woorden voor het repertoire mar­teltechnieken de hoogste lagen van de samenleving hadden bereikt, van wie de gruwelijkheid overigens nergens anders waren opgetekend dan in het dubieuze geheugen van de ziekelijke gekken die op miraculeuze wijze, door de gril-lige welwillendheid van Zijne Heerlijkheid, uitgemergeld en kauwend op hun wangen, na jarenlange gevangenschap vanuit de clandestiene en afgelegen plekken van het land kwamen gekropen: de civiele gevangenis van Kenitra, de gevangenis van Laalou in Rabat, de gevangenis van Tanger, de gevangenis van El Jadida, speciale gevangenissen voor de boeren in de Rif, het martelcentrum La ferme slovak in Oujda, Asilah, Khenifra, Kasbet Tadla, Beni-Mellal, Aïn Borja in Casablanca, het concentratiekamp in Tazmamart, het kamp van Ouarzazate, het complex van Anfa, het voor­malig vliegveld van Casablanca, waar honderden pechvogels die op het verkeerde moment op de verkeerde plek waren jarenlang aan elkaar vastgeketend zaten, onder wie ook een zwangere vrouw die vastgeketend aan een vreemde moest bevallen, de Kasbah van Agdz waar ze Sahrawis en linkse extremisten vasthielden, het paleis van M'Gouna, Settat en Meknes. En dan had je nog het detentiece11trum Derb Mou­lay Cherif, een in Temara, Dar el Mokri, je had er zelfs een onder het Jama el Fna-plein in Marrakech. Om maar niet te spreken van de gestichten waar tussen de kwijlende, hallu­cinerende, delirante gekken, de praatzieke studenten lang­zaam de waanzin in werden gedreven, net zo lang totdat ze niet meer wilden vertrekken. 
Ze hadden gelachen. Ze hadden gelachen toen Hadj Kaddouri, de hoofdcommissaris, naar de Verenigde Naties afreisde om namens Marokko tegenover het comité tegen faltering elke vorm van marteling te veroordelen, maar die tijdens de zitting herkend werd door een van de mensen die hij had gemarteld. Ze hadden gelachen om de promotie van een rechter, die in de zaak van 1977 tientallen demonstran­ten tussen de ratten en de luizen liet verpieteren in de ge­vangenis maar nadien promoveerde tot hoofdrechter voor de mensenrechten in het land. Stiekem had Slaoui zich op iets dergelijks verheugd, maar een promotie bleef uit, en hoe langer hij tegen de verveling probeerde te vechten, hoe meer zijn collega's het zwaarste werk aan hem toevertrouw­den. Hij had zelfs geen salarisverhoging gekregen."

Om dit te kunnen schrijven, woon je best niet in Marokko, een land met een heel duistere geschiedenis, met ook vandaag nog een heel bedenkelijke rechtstaat. Deze passage deed me denken aan Multatuli's aanklacht tot de heren van Lebak in Max Havelaar. De roman is meer dan een roman. Het is ook een aanklacht. Het is ook een historische achtergrond die wij als Europeanen moeten kennen om onze medeburgers met migratie-achtergrond echt goed te kunnen begrijpen. Wie meer info wenst over de martelkamers van Marokko, raad ik ook "Notre Ami Le Roi" aan van Gilles Perault. 

Het is pas enkele dagen geleden dat tienduizenden probeerden asiel te krijgen door naar Ceuta te zwemmen. Dit zegt genoeg over de toestand in het land. 

Ik heb persoonlijk het plezier gehad om een aantal jaar in Marokko te wonen, onder andere tijdens de Broodopstand van 1984, toen de hele Rif in opstand kwam, tot zelfs in Taza toe, waar ik woonde, aan de grens van het Atlasgebergte. Er waren tientallen doden in Nador en Al Hoceima, en bij ons werden de school en de straten bezet door het leger, en was er een samenscholingsverbod en elk verzet werd in de kiem gesmoord. Er waren geen kranten, en om te weten wat er echt gaande was, moesten we bellen naar onze familie in België. 

Ik hoop dat Safae El Khannoussi nog veel mag schrijven en nog veel succes mag kennen. 


No comments: