Monday, September 23, 2013

Herta Müller - The Hunger Angel (Picador, 2012) ****


De Duitstalige Roemeense schrijfster Herta Müller is een stilistisch genie. Dat ze de Nobel Prijs voor literatuur kreeg is meer dan terecht. Ook in "The Hunger Angel" slaagt ze erin om de bijna onverzoenlijke tegenpolen van horror en poëtische kracht met elkaar te vermengen.

De roman beschrijft het wedervaren van een Roemeens jongetje uit de Duitse gebieden in het land die naar Rusland is gevoerd na de tweede wereldoorlog om de berokkende schade te helpen herstellen. In feite zitten ze in een werkkamp dat meer wegheeft van een strafkamp dan dat er reëel zinvolle activiteiten plaatsvinden.

Zoals de titel het aangeeft, is honger een constante in het kamp, de maatstaf van alle activiteiten, gedachten en relaties.

Verwacht geen verhaal, wel beschrijvingen van situaties, geen sitcom, maar sitdram, de horror van mensen die solidair willen zijn, maar het door omstandigheden, uit lafheid, uit overlevingsdrang, uit honger, niet durven, niet kunnen.

Geen gemakkelijke lektuur, maar hard en schrijnend.

"I realized many were missing. But unless they'd collapsed right in front of me I didn't consider them dead. And I took care not to ask where they might be. Still, when the evidence is staring you in the face, when you know so many who have died, fear becomes a powerful thing, even overpowering after a while - and therefore remarkably similar to indifference. This is what allows you to act fast when you're the first to discover a dead person. You have to undress him quickly, before the body gets too stiff to bend, and before somebody else makes off with his clothes. You have to take his saved bread out of his pillowcase before someone else beats you to it. Clearing away the dead person's things is our way of mourning. When the stretcher arrives in the barrack, there should be nothing to haul away but a body".




Erich Maria Remarque - All Quiet On The Western Front (Vintage Classics, 1999) ****½


Een van de meesterwerken van de literatuur, die ik nu eindelijk heb gelezen, en het is een roman die zijn reputatie alle eer aandoet.

De roman brengt het relaas van een Duits soldaat in de Vlaamse polders tijdens de Eerste Wereldoorlog. Of eerder van hemzelf en zijn divisie. Het boek is niet alleen een aanklacht tegen de verschrikkingen van de oorlog en het leed dat aan jongens wordt aangedaan die zelfs niet weten wat ze daar doen, het is tegelijk ook literair een van de eerste echt moderne romans.

De stijl van Remarque is direct en elliptisch. Hij beschrijft enkel scènes, geen context. Hij is direct in de actie en vertelt wat er gebeurt met zijn vrienden Tjaden en Müller zonder dat we eigenlijk achtergrond of beschrijving krijgen, hij vertelt over loopgrachten en beschietingen en ratten en doden zonder verdere kommentaar. Het is zo. Die realiteit hoeft geen verdere uitleg. Hij schrijft ook in de tegenwoordige tijd. Het effect hiervan op de lezer is krachtig. Je hoort erbij. Maar het is niet allemaal kommer en kwel. Er zijn ook seksuele escapades tussen, en culinaire ... maar die andere aspecten maken het zinloos vergooien van jonge levens alleen maar scherper.

Het boek is ook een scherpe aanklacht tegen de oorlog en de verwoesting van jonge levens. Ook wie niet stierf, ging getekend door het leven. Het boek is dan ook "een poging om een verslag te brengen van een generatie die verwoest werd door de oorlog". Ondanks het feit dat Remarque, die zelf gewond geraakte door Brits geschut in de Grote Oorlog, geen politiek standpunt inneemt, was ook zijn beschrijving als anti-patriottisch beschouwd, iets wat we ons vandaag moeilijk kunnen voorstellen.

Zijn roman werd dan ook verboden door de nazi's.

Een absolute must.


Sunday, September 22, 2013

W.G Sebald - Austerlitz (Penguin, 2002) *****


Toegegeven, soms mis je pas uitgekomen romans. Ze worden de hemel ingeprezen, en je weet van niets, alsof je op een andere planeet woont. Dit is er zo een.

Ik had van Sebald al "The Emigrants" gelezen, maar Austerlitz is zoveel fijner. Sebald is de documentalist van het leven. De man die kleine dingen en details belangrijk vindt en die ook vastlegt, in zijn boeken, en in de vele foto's die hij zoals gebruikelijk in zijn romans plaatst om zaken te verduidelijken, om de authenticiteit van het vertelde kracht bij te zetten.

In "Austerlitz" laat de ik-verteller, die amper terzake doet, tenzij als verslaggever, Austerlitz zijn verhaal doen, die van een joodse jongen die in 1939 naar Groot-Brittannië verplaatst wordt om in een pleeggezin terecht te komen dat alles doet om zijn verleden uit te wissen. Nu, in dit verhaal, gaat Austerlitz graven in wat er plaatsvond.

Sebald schrijft dit alles in een ruk door, zonder paragrafen, zonder hoofdstukken, alsof hij het allemaal snel en uit het geheugen rapporteert. En Austerlitz vertelt zijn eigen zoektocht alsof hij een fotografisch geheugen had, waarin opnieuw elk detail wordt weergegeven, inclusief de woordelijke herhaling van herinneringen die anderen hem vertellen. Ondanks het steeds dieper graven in herinneringen en details, blijft Sebalds stijl licht, enthousiast en met een ondertoon van hoogdringendheid. Het moet verteld worden, en nu meteen, anders riskeert alles vergeten te worden. Sommige zinnen zijn gigantisch lang en complex, één zelfs zeven bladzijden lang, omdat er blijkbaar geen tijd is om het neer te pennen en interpuncties zijn dan ook absoluut tijdverlies.

Een voorbeeld, wanneer Jacques Austerlitz in Praag zijn oude buurvrouw en "nanny" Vera terugvindt, inclusief hun vroegere flat die behouden gebleven was, inclusief alle inhoud.

"The furniture she had inherited in May 1933 together with great-aunt's flat, the display cabinet with a masked Meisen china Pulcinello on the left and his beloved Columbine on the right, the glass-fronted bookcase with the fifty-five small volumes of the Comédie Humaine bound in carmine red, the writing desk, the long ottoman, the camel-hair rug lying folded on one end of it, the blue tinged aquatint of the Bohemian mountains - throughout my entire life, which was now unravelling headlong before me, all this had stayed in the same place because as Vera told me, Austerlitz said, once she had lost me and my mother, who was almost a sister to her, she could not bear to alter anything".

De roman is fenomenaal in zijn diepe menselijkheid en authenticiteit, maar tegelijk ook absoluut vernieuwend en aangrijpend.

W. G. Sebald overleed na de publicatie van de roman.


Jean-Marie Blas de Roblès - Là Où Les Tigres Sont Chez Eux (J'ai Lu, 2008) ****½


Verbazingwekkend. Een absolute krachttoer voor een debuutroman. Een turf van bijna 900 bladzijden waar Blas de Roblès tien jaar aan heeft gewerkt, en het verbaast niks als je de roman leest.

Het is tegelijk een avonturenroman als een filosofische als maatschappelijk bewogen roman als een brok geschiedenis. Het vertelt het verhaal van een journalist, Eléazard von Wogau, die in Alcántara, Brazilië het plan opvat om onderzoek te doen naar het leven van Athanasius Kircher, een zeventiende eeuwse jezuïet, en zowat specialist in alles, gaande van aardrijkskunde over astronomie tot taalkunde en geneeskunde, en er de uiteindelijke biografie van zal schrijven, aan de hand van een manuscript van zijn leerling Caspar Schott.

Von Wogau is verzeild in een scheidingsproces, en Elaine, zijn echtgenote, een anthropologe, is ook in Brazilië op zoek naar een plek waar mogelijks de oudste fossielen ter wereld zijn gevonden, diep in het amazonewoud.

Hun dochter Moéma, die in een andere stad, Fortaleza, zou moeten studeren, is op drift geraakt.

Blas de Roblès is een ongelooflijk verteller, met een zeer realistische maar weinig expressieve stijl, maar wel één die de vaart in het verhaal houdt. De gebeurtenissen, dat is waar het om draait, en het ontbreekt niet aan actie. We krijgen de reisverhalen van de jezuïet, die mondjesmaat ontrafeld wordt. Eléazard is zelf ook verwikkeld in amoureus seksuele relaties, komt samen met een Italiaanse journaliste een politiek schandaal op het spoor, inclusief moorden, bouwovertredingen, afpersing en de inmenging van de CIA.

Elaine haar expeditie in het amazonewoud gebeurt met één hypocriete en één verliefde collega, met een malafide bootkapitein, drugsmokkelaars en kannibalenstammen in het woud, magie en vreemde dranken.

Moéma weet echt niet wat doen met zichzelf, en laat zich dan maar gaan door haar gevoelens, de lusten van haar jonge lichaam voor mannen en vrouwen, het verlangen naar paradijselijke eenvoud en de roes van bedwelming en diepgewortelde heidense rituelen.

Blas de Roblès geeft ons elk verhaal mondjesmaat, met alle verhalen die parallel aan elkaar lopen, in stukken en brokken, hoofdstuk na hoofdstuk, waardoor het héééél moeilijk is om het boek neer te leggen.

Het is geen grote literatuur, in de zin dat Blas de Roblès eigenlijk niet met letterkunde op zich bezig is. Hij is niet geïnteresseerd in stijl, die echt rechttoe-rechtaan als een Alexandre Dumas, hij is niet geïnteresseerd in literaire stromingen, of zijn plaats daarin, hij is wel geïnteresseerd in de samenleving en de plaats van de mens hierin. Het gaat over bedrog, over vernietiging van mensen en dingen en waarden, over de hopeloosheid van het leven, over onschuld en menselijke kleine kanten, over grote schuld en misdadigers, over de oneerlijkheid van de samenleving.

Dat alles geeft hem een ongelooflijke authenticiteit en eerlijkheid. Hij slaagt erin door zijn vertelenthousiasme om een hele wereld in het leven te roepen, en dat is op zich al een prestatie. Een roman om duimen en vingers van af te likken. Heerlijk voor een moment dat je veel tijd hebt.



César Aira - De Schimmen (Meulenhoff, 2013) *


Op de cover staat "Verslavend" als een citaat van Roberto Bolaño. Als de meester dit zegt, had ik geen keuze en moest ik dit kopen en lezen. César Aira is Argentijn, en "De Schimmen" verscheen oorspronkelijk in 1990, en is nu vertaald naar het Nederlands.

Het verhaal gaat over bouwwerf waar de nieuwe inwoners hun plannen zien realiseren, en de conciërge woont er al met zijn gezin. In het gebouw dwalen ook schimmen rond. Zij kunnen de mensen waarnemen, maar het omgekeerde kan niet, tenzij door het dochtertje van de conciërge.

Er gebeurt eigenlijk niets, en verder is er ook niets bijzonders aan deze roman. Een verspilling van geld en tijd.


Johanna Skibsrud - The Sentimentalists (Windmill, 2009) ***


Dat ik enkele maanden na het lezen van deze roman me zelf niet meer kon herinneren waar het over ging, zegt misschien meer over mijn geheugen dan over het boek, maar toch.

De ik-figuur is een jonge vrouw wiens leven aan splinters slaat op het moment dat haar vader niet langer alleen kan wonen. Zij en haar zus verhuizen hem van zijn trailerpark in de US naar Toronto in Canada, bij een vriend aan de rand van een kunstmatig meer, waaronder het vroegere dorp verzonken ligt.

Het hele verhaal is een zoektocht naar antwoorden uit de familie, graven in de geheugens van de mensen die ze kent, om met zichzelf in het reine te komen, met haar ouders, om te weten wat de vader meemaakte in Vietnam, de oorlog die hem bleef achtervolgen en waar hij niets over kwijt wou.

Als thema ook niet echt nieuw, maar Skibsrud schrijft goed, elegant, creatief, prachtig opgebouwd en gestructureerd.

Pedro Páramo - Juan Rulfo (Grove Press, 1955) ****


In de moderne Mexicaanse, of zeg maar Latijns-Amerikaanse literatuur is Juan Rulfo een mijlpaal. Dit werkje, "Pedro Páramo", verscheen in 1955, en het brengt het bevreemdende verhaal van een man die terugkeert naar Comala, zijn geboortedorp op zoek naar zijn vader, de Pedro uit de titel. Hij komt in een wereld terecht die de realiteit overstijgt zonder anders te zijn, een soort limbo tussen deze werkelijkheid en het rijk der geesten. Hij komt er mensen tegen die zijn verhaal kennen en dat van zijn vader, van wie de gedachte alleen nog altijd bij iedereen angst inboezemt.

De mensen fluisteren, vertellen hun dromen, maar ook de kleine dingen des levens, en niets is wat het lijkt te zijn.

"Some villages have the smell of misfortune. You know them after on whiff of stagnant air, stale and thin like everything old. This is one of those villages, Susana". 

De doden en de levenden delen hun verhalen.

"Was that you talking, Dorothea?
Who, me? I was asleep for a while. Are you still afraid?
I heard someone talking. A woman's voice. I thought it was you. 
A woman's voice? You thought it was me? It must be that woman who talks to herself. The one in the large tomb. Doña Susanita. She's buried close to us. The damp must have got to her, and she's moving around in her sleep. 
Who is she? 
Pedro Páramo's last wife. Some say she was crazy. Some say not. The truth is she talked to herself even when she was alive". 

Wie al die mensen zijn blijft ook een mysterie. Alles en iedereen blijft ongrijpbaar. Rulfo's stijl is elliptisch en alles wordt gesuggereerd, opgeroepen, maar prachtig verwoord en beschreven, zo magisch als de tussenwereld van Comala.