Tuesday, August 18, 2009

Martin Amis - Times Arrow (Vintage, 1991) *

Het enige boek van Martin Amis dat ik nog niet had gelezen, en dat achterstevoren is verteld, een beetje zoals de film "Memento", en gaandeweg wordt de achtergrond onthuld van het hoofdpersonage, een dokter die te maken had met de concentratiekampen. Alleen is het geen reconstructie van het verleden, maar een echt achterwaarts lopende tijd : het eten wordt uit de mond gehaald en op het bord gelegd, de stront kruipt in de aars, de dokter maakt de mensen ziek, kinderen worden er bij de moeder ingeduwd, ... dat soort zaken. Na verloop van tijd heb je het wel begrepen. Amis heeft hier teveel een schrijfoefening van gemaakt, waardoor het potentieel van het verhaal verloren gaat. Saaie kost.

R.K. Narayan - The Guide (Penguin Classics, 1958, 1988) ***

Bij De Sleghte gekocht, een klassieker uit de moderne Indiase literatuur. Een onderhoudend en sterk verteld verhaal over een toeristische gids die in de gevangenis belandt en na zijn vrijlating een spirituele goeroe wordt zonder het zelf te willen. De beide delen van het leven van het hoofdpersonage worden in een andere persoon verteld (eerste en derde). Het thema van het boek is de illusie en de schijnheiligheid van al wie persoonlijke eer beoogt. Dit lijkt nogal saai, maar Narayan vertelt het met zoveel overtuiging en menselijkheid dat het boek echt vlot en plezierig leest. Nog best leesbaar na 50 jaar.

Paolo Giordano - The Solitude Of Prime Numbers (Doubleday, 2009) ****

Paolo Giordano is fysicus van opeiding, maar hij is duidelijk iemand met meer in zijn mars. Deze roman mag er zijn : een hard verhaal over psychische schade en eenzaamheid bij kinderen, jongeren, volwassenen en de onmogelijkheid voor sommigen om te communiceren, gevoelens te uiten, en de gevolgen voor deze eenzaten als slachtoffer van de lafaards die in groep opereren. Giordano brengt door zijn directe vertelstijl en een sterke structuur geloofwaardige personages in een meeslepend verhaal. Eén van de betere boeken van het jaar.Intriest en aangrijpend.

Monday, May 25, 2009

Enkele non-fictie boeken van fictieschrijvers

Van sommige auteurs wil ik elke nieuwe publicatie lezen, dus ook hun niet-literaire schrijfsels. Toevallig zijn ze ook alle drie uitgegeven door Vintage Books, merk ik nu pas.

Martin Amis - The Second Plane (Vintage, 2008) **

Martin Amis is zonder twijfel een groot stilist en literair componist, onderhoudend én met een meedogenloze blik op de menselijke natuur. In de voorbije jaren is hij geëvolueerd naar ernstiger onderwerpen, voorbij de satire die hem in het begin van zijn carrière kenmerkte, naar een meer cynisch perspectief, voorbij elke hoop in de goedheid van de mens. In "The Second Plane" bundelt hij een reeks artikelen die hij schreef voor The New Yorker, The Guardian, The Times, en andere, en waarin hij het Islamisme hekelt in al zijn facetten, en tegelijk in enkele kortverhalen ook een literaire evocatie geeft rond hetzelfde thema, zoals in "The Last Days of Muhammad Atta". Naast het Islamisme worden ook de Bush administratie en de onmondigheid van het Westen tegen het opdringend Islamisme aan de kaak gesteld. Zijn pen is scherp, zijn aanvallen hard en goed gedocumenteerd. En zoals meestal bij Amis, vlot te lezen. Veel nieuwe inzichten krijg je er wel niet door en zijn tekst is door en door pamflettair. Maar dan in de goede traditie.


Julian Barnes - Nothing To Be Frightened Of (Vintage, 2009) ***

Julian Barnes, een andere grote Britse stilist, schrijft in "Nothing To Be Frightened Of" zijn angst voor de dood van zich af, of toch in elk geval een poging hiertoe. Zijn invalshoek is dus persoonlijk, en daarom een stuk geloofwaardiger dan die van Amis, en in zijn boek zoekt hij antwoorden in de filosofie, bij vrienden, bij familie, in de literatuur. Zijn gebruikelijke "literaire voorouders" passeren de revue, zoals Flaubert, Montaigne, en vooral de mij onbekende Jules Renard, een Frans auteur uit de 19e eeuw, maar ook een hele rist filosofen (van Aristoteles tot Wittgenstein en Russell), wetenschappers (Dawkins), kunstenaars (Sibelius, Stravinsky, ...) en anderen die over de dood een mening hebben gehad. Angst voor de dood leidt natuurlijk ook tot de grote levensvragen zoals "is er leven na de dood", "bestaat God", "is het beter te geloven of eerder niet te geloven". Naast de enorme eruditie van Barnes, zijn vooral zijn persoonlijk relaas en de eerlijkheid, humor en zelfrelativering van zijn betoog best te genieten. Na verloop van tijd wordt het wel wat teveel van hetzelfde, want langs hoeveel kanten en persoonlijk invalshoeken kan je dit onderwerp belichten? Nu ja, geestig is het wel, en interessant bij momenten, hoewel het onderwerp niet echt opbeurend is.


Haruki Murakami - What I Talk About When I Talk About Running (Vintage, 2008) ****

Iets lichtvoetiger dan is Murakami's beschrijving van zijn passie : marathon-lopen. Hij beschrijft de inspanningen, het gevecht met jezelf en je lichaam om prestaties te leveren, de dagelijkse discipline, die hij ook vergelijkt met schrijven. Maar ook: dit is een typisch Murakami boek. Het anders belichten van kleine zaken, de realiteit die anders is dan gedacht, en waar je doorheen kan breken, een thema dat in zijn romans ook aan bod komt.

"While I was enduring all this, around the fourty-seventh mile I felt like I passed through something. That's what it felt like. Passed through is the only way I can express it. Like my body passed clean through a stone wall. At what point I felt like I'd made it through, I can't recall, but suddenly I noticed I was already on the other side. I was convinced I'made it through. I don't know about the logic or the process of the method involved - I was simply convinced of the reality that I'd passed through". Een typische Murakami paragraaf : de herhalingen, de reflectie over het gebeuren, de machteloosheid van het menselijk begrip erover, de irrationaliteit van het zijn.

Hier is nog zo'n stukje. " ... but these days I feel light as I start off. My legs aren't so tired anymore, and I feel like I want to run even more. Still, I feel a bit uneasy. Has the dark shadow really disappeared? Or is it inside me, concealed, waiting for its chance to reappear? Like a clever thief hidden inside a house, breathing quietly, waiting until everyone's asleep. I have looked deep inside myself, trying to detect something that might be there. But just as our consciousness is a maze, so too is our body. Everywhere you turn there's darkness, a blind spot. Everywhere you find silent hints, everywhere a surprise is waiting for you".

Alle drie zijn ze atheïsten, maar in vergelijking met Amis' tirade tegen Islamisme, en in vergelijking met Barnes' erudiete poging om de dood te omarmen, is er Murakami's a-rationele aanpak : "That's all I can think of. But as I drew near the end of the ultramarathon, I wasn't really thinking about this. The end of the race is just a temporary marker without much significance. It's the same with our lives. Just because there's an end doesn't mean existence has meaning. And end point is simply set up as a temporary marker, or perhaps as an indirect metaphor for the fleeting nature of existence. It's very philosophical - not that at this point I'm thinking how philosophical it is. I just vaguely experience this idea, not with words, but as a physical sensation". (ter vergelijking, Barnes maakt zich kwaad op een "jeugdfout" in één van zijn eerste romans, waarin hij tweemaal het woord "end" gebruikte in dezelfde zin, Murakami maakt er een feest van).

Van onze drie auteurs, blijkt de meest magische, ook het meest voeling te hebben met de realiteit. En een plezier om lezen, ook voor niet-athleten.

Saturday, January 31, 2009

Aravind Adiga - The White Tiger (Atlantic Books, 2008) ****

Winnaar van de Man Booker Prize 2008. Dat is een goede referentie. Daar staan namen bij als Coetzee, Gordimer, Ondaatje, McEwan, Banville, Golding, Murdoch, Rushdie, ... voorwaar goed gezelschap (dat er enkele miskleunen tussenzitten, moet je er maar bij nemen, Anita Brookner bijvoorbeeld). Vergeleken met deze illustere voorgangers, schiet Adiga toch wel iets te kort. Het is meer van het niveau van een Yann Martell's "Life Of Pi", literair gesproken dan, of Ben Okri's "The Famished Road". "The White Tiger" heeft dezelfde originaliteit van vertelperspectief als "Life Of Pi", and dezelfde ontluisterende maatschappelijke diepgang als "The Famished Road".

De ik-figuur van het boek heeft zijn eigen 'start-up' in Bangalore, het koninkrijk van de outsourcing, waar de mensen 's nachts werken om in dezelfde tijdzone als hun klanten in de VS te kunnen leven. Vanuit deze comfortabele nachtelijke positie, schrijft hij een reeks brieven aan de Chinese premier, die binnenkort op bezoek komt, met als doel die een achtergrondschets te bieden van het land, maar dan een schets die toont wat er achter de schermen plaatsvindt. Hij vertelt het vanuit zijn eigen perspectief. Hij heeft letterlijk een moord moeten begaan om zijn comfortabele positie te bereiken.

Dan volgt het verhaal zelf, van zijn jeugd als beloftevolle maar koppige leerling op het platteland, zijn werk als chauffeur in de stad, het leven in Delhi, de corruptie, de vernederingen, de prostitutie, de misdaad, de centen, de mensonwaardige levensomstandigheden van de meeste Indiërs. Maar het wordt gelukkig geen tweede Rohinton Mistry, daarvoor is Adiga te fijngevoelig en een te handig verteller. De ik-figuur is immers geen held, maar een verschrikkelijke opportunist, maar dan één die op alle sympathie van de lezer kan rekenen (of toch die van mij), door zijn groot gevoel van medeleven en menselijkheid, en die sympathie blijft zelfs tot en met de moord die hij pleegt. Hij is geen machteloos slachtoffer wiens situatie van kwaad naar erger evolueert, zoals in zovele fatalistische maatschappijkritische boeken.

En dat is het wonderlijke van dit boek : Adiga's toon, zijn humor en relativering, de permanent vriendelijke toon waarmee het hoofdpersonage de ontrollende gebeurtenissen vertelt, geven het boek een zekere lichtheid, maar tegelijk een grotere scherpte dan wanneer het een eindeloos geweeklaag of een direct aanklacht zou zijn geweest. In zijn visie zijn er niet direct goeden en slechten, het is een kluwen van individuen en fracties die er allemaal op uit zijn er alles uit te halen. Hij vergelijkt India met een kippenren. Alle kippen wachten naast elkaar rustig af tot ze één voor één worden geslacht. De wachtenden komen niet in opstand, hoewel ze eigenlijk niets te verliezen hebben.

Dit alles wordt gebracht tegen de achtergrond van de verkiezingen, een niet te begrijpen charade van politieke partijen, van wie de communicatie vaak het tegengestelde is van de realiteit. Een mooie illustratie :

"And below the slogan the policeman wrote
ALL INDIA SOCIAL PROGRESSIVE FRONT
(Leninist Faction)
Which was the name of the landlords' party."

Of nog, in zijn rechstreekse aanspreking van Weng Jibao :

"I gather you yellow-skinned men, despite your triumphs in sewage, drinking water, and Olympic gold medals, don't have democracy. Some politician on the radio was saying that that's why we Indians are going to beat you: we may not have sewage, drinking water and Olympic gold medals, but we do have democracy. If I were making a country, I'd get the sewage pipes first, then the democracy, then I'd go about giving pamphlets and statues of Gandhi to other people, but what do I know? I'm just a murderer".

Hij is een fantastisch verteller. Ik heb de andere kandidaten voor de Man Booker Prize nog niet gelezen, maar deze roman heeft zijn plaats zeker verdiend.

Russell Hoban - My Tango With Barbara Strozzi (Bloomsbury Books, 2007) *

Enkele citaten op de achterkant van het boek :
"The author is certainly a true original" (Daily Mail)
" ... fast, fun, full of big ideas lightly represented..." (Scotsman)
" ... a haunting, exasperating, funny, sad and elegiac. Catch it before it disappears" (Guardian)
" A deceptively complex novel of ideas, about reality, identity and ontology, that is only masquerading as a sweetly simple boy meets girl story" (Independent On Sunday).

Wel, ik heb me weer laten vangen. Dit is één van de slechtere en saaiste boeken die ik de laatste jaren heb gelezen (en uitgelezen!). Ik vraag me soms echt af waar de kritische zin is van die zogenaamde literaire critici. Boring stuff. Inspiratieloze drukdoenerij. Maar wel een prachtvoorbeeld van slechte literatuur. De personages zijn zo onrealistisch als maar kan zijn. De "girl" uit het verhaal gaat zowat om de haverklap met een ander naar bed. Het karakterzwakke hoofdpersonage doodt zowaar nog één van haar belagers, en dan nog op de meest debiele wijze. Tussendoor duwt Hoban zijn roman vol met wetenswaardigheden die niets met het verhaal te maken hebben. Op geen enkel moment heb je zelfs maar de indruk dat er gevoelens zijn tussen de personages.

Maar het boek is een prachtvoorbeeld van een totaal gebrek aan "pace". Noem het tempo of ritme, of het opbouwen van spanning, climax. De belangrijkste momenten uit het boek krijgen amper aandacht, noch in voorbereiding, noch in hun beschrijving, noch in hun mentale impact achteraf. Maar alle niets ter zake doende uitwijdingen worden over vele bladzijden uitgesmeerd. De ik-figuur doodt iemand, en dat wordt verteld als een fait divers dat hem niet schijnt te raken. Ja, de politie komt, en het lijk wordt opgeruimd, maar dan gaat het leven gewoon verder.

Het is ook een prachtvoorbeeld van een boek waar je om de haverklap om de oren wordt geslagen met citaten, de beschrijving van kunstwerken, ... die niet alleen de ik-figuur schijnt te kennen, maar die ook moeiteloos door de andere personages gekend zijn en probleemloos geduid worden.

Dus : veel doen alsof, maar weinig authenticiteit. Veel pretentie en weinig substantie.

Omdat het zo slecht is, en tegelijk relatief dun (160 bladzijden), is het interessant om lezen. Een prachtvoorbeeld van wat literatuur niet hoort te zijn.

Alexander Poeshkin - Eugene Onegin (Wordsworth Classics, 2005) ****

Nog eens een klassieker erbij gehaald. Ik had Poeshkin nooit gelezen, en ik moet zeggen, het was meer dan goed. Ik heb dit halve vooroordeel dat er vandaag veel betere literatuur wordt geschreven dan vele van de zogenaamde klassiekers. In die tijd was het al een heel gebeuren als iemand een boek schreef. En wie goed was, kwam wel boven drijven. Vandaag is dat even anders. Maar Poeshkin is het lezen waard. Ik heb zijn roman-op-rijm in een Engelse vertaling gelezen die niet in versvorm was opgesteld, maar wel zeer uitvoerig bekommentarieerd door de vertaler. Zonder die kommentaar zijn de vele verwijzingen naar de politiek, de geschiedenis en de literatuur niet te begrijpen. Maar het verhaal gelukkig wel. Eugene Onegin is een welgesteld dandyesk figuur, die eigenlijk niets doet, buiten slapen en uitgaan, maar wel de zinloosheid van dit bestaan inziet. De plot zelf is relatief mager. Eugene verveelt zich in de stad, verhuist naar het platteland, waar Tatyana, de dochter van de buren, op hem verliefd wordt, een liefde die hij niet beantwoordt. Zijn vriend wordt verliefd en verlooft zich ook met de zus van Tatyana. Omdat Onegin te lang met haar danst op een feest, daagt zijn vriend hem uit tot een duel, en wordt zelf gedood. Onegin vertrekt/vlucht terug naar de stad. Jaren later komt hij Tatyana opnieuw tegen. Nu wordt hij verliefd op haar, maar haar gevoelens zijn veranderd. Dit alles in iets meer dan honderd bladzijden. Het verhaal doet modern aan door de schrijver, de ik-figuur die er te pas en te onpas tussenkomt om zelf kommentaar te geven, ook over zichzelf uitwijdt zonder dat we eigenlijk iets van hem te weten komen. Het is een leuke roman. Maar ik denk niet dat één uitgever dit vandaag zou uitgeven mocht het als manuscript ingediend worden. Niet één. En toch is het een klassieker.