Sunday, September 22, 2013

Philippe Claudel - Jean-Bark (Stock, 2013) ***


Claudel geeft een lange afscheidsrede bij het overlijden van zijn uitgever, Jean-Marc Robert, die als koosnaampje "Jean-Bark" had, een woordspeling op "j'embarque". Een mooie hommage van het soort dat iedereen zich zou kunnen wensen. Claudel schrijft fijn, vol droefnis en tegelijk geestig, terugkijkend op de goede momenten en op de moeilijke momenten waarop vriendschap echt telt.

S. C. Gwynne - Empire Of The Summer Moon (Simon & Shuster, 2010)


Omdat Philip Meyer in "The Son" een beeld geeft van de Comanches dat tegelijk tolerant is en ontzettend wreed, heb ik dit boek gekocht om een en ander beter te kunnen duiden. S. C. Gwynne vertelt over de geschiedenis van de Comanches voor zover er bronnenmateriaal over te vinden is. Het boek is opgebouwd rond de figuren van Cynthia Ann Parker die op jonge leeftijd door de Comanches wordt ontvoerd en daar ook opgroeit en daar ook wil blijven, tot groot ongeloof van haar familie die haar na jaren terugvindt, en van haar zoon Quanah Parker, een intelligent strateeg en uiteindelijk leider van de Comanches bij hun finale overgave.

Het verhaal bevestigt wat Meyer in zijn roman verwerkt. De Comanches waren een echt paardenvolk, de enige overigens die al rijdend vochten, en die effectief hangend aan de zijkant van hun paard hun pijlen afschoten, met onwaarschijnlijke snelheid en precisie. Op de tijd dat een blanke zijn geweer opnieuw kon laden - uiteraard voor het repeteergeweer uitgevonden werd - kon een Comanche zestien pijlen afschieten. Het uithoudingsvermogen van hun mustangs en van de ruiters was indrukwekkend en de afstanden die ze konden afleggen per dag evenzeer. De comanches maakten raids in Mexico, waar ze dorpen aanvielen, buit maakten, paarden stalen en terugkeerden enkele honderden mijl naar het noorden, in de eindeloze steppes van de Llano Estacado, een plek waar iedereen buiten de Comanches zelf onherroepelijk in verloren liep. Gwynne maakt er echter geen heldenverhaal van. Ze waren inderdaad wreed, en het uitmoorden van andere stammen, het folteren van gevangenen voor het plezier van het folteren worden in het boek in geuren en kleuren beschreven, net zoals de obligate verkrachtingen van vrouwen die niet tot hun stam behoorden.

Tegelijk is het tragisch. De stam had een oppervlakte zo groot als Frankrijk, waar ze als nomadenvolk de bizons volgden op hun trektochten doorheen de seizoenen, ruwweg van Texas, New Mexico tot Colorado en Kansas.

Dan kwamen de "settlers", religieuze fanatici vaak die in gods opdracht naar het westen trokken, en die er ook vanuit gingen dat slachtoffers in hun eigen gezin (vermoord, verkracht, ontvoerd) de tol was die ze moesten betalen om hun missie te voltrekken, en zo was het ook in het gezin Parker. Eerst de vernietiging van de bizonpopulatie, dan de nieuwe ziekten die ravages aanrichtten en vervolgens de stelselmatige vernietiging van de indianen zelf leidde tot het vandaag gekende droeve resultaat. Van absolute vrijheid en het leven van de natuur en eindeloze horizons verbannen worden naar reservaten waar geen onafhankelijk bestaan mogelijk is.

Verhelderend en sterk gedocumenteerd.

Philip Meyer - The Son (Ecco, 2013) *****


Meyers "American Rust" was een revelatie, en met "The Son" gaat hij op dezelfde weg verder. De verschillende personages vertellen het gebeuren vanuit hun eigen perspectief, en zoals bij "American Rust" zijn die personages echt van vlees en bloed, met hun kwaliteiten en gebreken, overtuigingen en angsten. Ook nu is de roman perfect uitgebalanceerd, zowel op het vlak van de structuur, als in de verhouding tussen handeling en beschouwing.

Het verhaal draait om vijf generaties van een Amerikaans gezin uit Dallas, waarvan het oudste hoofdpersonage, Eli, door de Comanches werd ontvoerd op jonge leeftijd en daar opgroeide. De tweede verteller is Jeanne Anne McCullough, de kleindochter van Eli en erfgename van een olie-imperium van de vroegere veehouders. Het derde vertelperspectief is dat van Peter McCullough, de zoon van Eli, wiens dagboek een afrekening inhoudt met zijn vader en met de barbaarse afslachting van hun Mexicaanse buren.

Ondanks het verschil tussen de drie hoofdpersonages, zijn ze alle drie onderhevig aan dezelfde evoluties van onmacht naar macht en terug naar machteloosheid, van deel uitmaken van een groep en er toch ook een buitenbeentje in zijn, van onmetelijke eenzaamheid en droefheid.

Meyer schrijft als de beste, met een elegante stijl en met een verbluffende authenticiteit en diepgang. Het is onmogelijk om je niet in te leven in de verschillende personages, hoezeer ze elkaar ook haten of misprijzen.

Voor wie mocht twijfelen : dit is geen indianenverhaal, maar wel de geschiedenis van de Verenigde Staten van de voorbije twee eeuwen, in al zijn glorie en schijnheiligheid, zijn wijdse landschappen en diepe oliebronnen, van meedogenloze wreedheid en menselijke affectie. Meyer toont ons alle ethische en menselijke morele dilemma's maar kiest geen kant. Zijn focus is op de mens die keuzes moet maken, willens nillens, en niet altijd uitkomt waar hij of zij verwacht uit te komen.

Uiteindelijk blijft enkel de vraag over waarom elke generatie zo vol egoïsme en destructieve gevoelens blijft.

"We dynamited the tipis and shot the Indians down as they ran. A magnificent brave, his only weapon a patch knife, charged singing his death chant. A blind man fired a musket and his daughter ran forward, knowing the gun was empty; she swung it toward us and we shot her down as well. It was the last of a nation, squaws and cripples and old men, our guns so hot they fired of their own will, our squarecloths wrapped the fore-grips and still every hand was branded. When the people were finished we killed every dog and horse. I took the chief's bladder for a tobacco pouch; it was tanned and embroidered with beads. In his shield, stuffed between the layers, was Gibbon's Decline and Fall of the Roman Empire".

Een absolute aanrader!



Sunday, May 26, 2013

Don DeLillo - The Angel Esmeralda (Scribner, 2013) ****


"The Angel Esmeralda" is een bundel met negen kortverhalen die DeLillo schreef in de laatste dertig jaar, en waarom sommige ervan nu pas worden gepubliceerd is me een raadsel. DeLillo is een briljant stilist, een verteller van het gewone, van de drijfveren van mensen, en dit in de context van het wereldgebeuren.

In "Creation" worden twee mensen in elkaars armen gedwongen door het bureaucratisch gestuntel van een lokale luchtvaartmaatschappij in de Caraïben. In "The Runner" wordt een jongetje gekidnapt in een park, maar het geheel wordt verteld en geïnterpreteerd vanuit het perspectief van een jogger. "The Angel Esmeralda" brengt het verhaal van nonnen die jonge krakers en drugsverslaafden proberen te ondersteunen, en uit die gore context ontstaat het plotse bijgeloof in de verschijning van een engel. In "Baader-Meinhof" komen twee museumbezoekers met elkaar in contact tijdens een tentoonstelling van schilderijen van de dode leden van de RAF. In "Hammer & Sickle" krijgen we een beeld van superfraudeurs in hun gevangenis, de witteboordcriminelen die mee de economische recessie van 2008 veroorzaakten door eigenbelang voor maatschappelijk belang te stellen.

Vanuit de enge perspectieven van zijn personages creëert hij telkens een scherpe atmosfeer vol innerlijke strijd, verlangens, geknakte verwachtingen en ambiguïteit.

Knap geschreven.

Jonathan Littell - Les Bienveillantes (Folio, 2006) *****


"Les Bienveillantes" is een turf van 1400 bladzijden dicht gedrukte zinnen op dun bijbelpapier, de monumentale debuutroman van de Frans-Amerikaanse schrijver Jonathan Littell die hem meteen op het voorplan bracht van de hedendaagse literatuur.

Zijn onderwerp is de tweede wereldoorlog gezien en beschreven door de ogen van een SS-officier, en dit tot in het kleinste detail van zijn zielenroerselen, relaties en handelingen. Deze officier, Max Aue, vertelt het verhaal vanuit zijn veilige huidige job van vandaag, een kleine industrieel in Noord-Frankrijk, maar die tegelijk achtervolgd wordt - maar voor sommige zaken ook zonder gewetenswroeging - door zijn verleden als massamoordenaar en door zijn familiale context, een persoonlijke Griekse tragedie met alle Freudiaanse seksuele ziekelijke trekken die erbij horen.

Aue maakt als SS-officier deel uit van de tweede linie die na de opmars van de Wehrmacht in het oosten, de veroverde gebieden moet helpen organiseren en zuiveren. Als jurist moet hij toezien op de goede organisatie en documentatie van deze activiteiten. We trekken samen met hem naar Oekraïne, dan naar Stalingrad.

Gewond keert hij terug in Berlijn, van waaruit hij vervolgens mee moet instaan voor het aan de gang houden van de Duitse oorlogsindustrie, en moet tussenkomen in de belangenstrijd tussen de verantwoordelijken van de uitroeiingskampen en de verantwoordelijken voor de productie.

De beschreven gruwel is des te gruwelijker door de bureaucratische afstandelijkheid waarmee Aue en zijn collega's hun taak vervullen. De berekening van het aantal joden in de massagraven en hoe ze best worden neergeschoten om dit snel en efficiënt te kunnen doen, de berekening van de voedingswaarde die de joden in industriële productie-eenheden dagelijks mochten eten, de interne discussies hierover onder de verschillende afdelingen van de Duitse macht, zijn absoluut weerzinwekkend door de koude afstandelijkheid tegenover het onderwerp van gesprek.

Net zoals zijn hoofdpersonage, is Littell ook de grote documenteerder en archivaris van het gebeuren : hij beschrijft alle gebeurtenissen die elkaar vrij snel opvolgen tot in het kleinste relevante detail, met een verbluffende grondigheid en diepgang die paradoxaal genoeg het ritme alleen maar opvoeren. Van de honderden personages wordt telkens de afdeling, de graad en hun activiteit vermeld, en al die verschillende karakters hebben niet alleen tegenstrijdige interne politieke belangen, maar ook persoonlijke sympathieën en verbonden en vijandschappen en dit alles tegen een achtergrond van historische feiten en wetenswaardigheden die het verhaal bijna vierdimensonaal maken.

En geen van deze personages zijn echte stereotypen, een valkuil die Littell schitterend vermeden heeft, niet alleen voor de hoofdpersonages maar zeker ook voor alle nevenkarakters, die allen aannemelijk zijn, menselijk, met hun grote en kleine kanten, met overtuigingen en twijfels. Dat Littell het aangedurfd heeft om het politiek weinig correcte perspectief van de "slechte Duitser" genomen te hebben, en de horror van de holocaust juist door de menselijkheid van Aue, ver voorbij elke stereotypering brengt, strekt hem nog meer tot eer, want het blijft alles bij elkaar een ongelooflijke evenwichtsoefening boven een gapende morele afgrond.

Het resultaat is echter verbluffend.

Net zoals Pynchon's "Gravity's Rainbow" en Roberto Bolaño's "2666" is deze roman excessief en verpletterend en genereus in zijn compromisloos opbouwen van een hele wereld, een heel universum dat alle aandacht opslorpt en dat voor de lezer ook onontkoombaar wordt. Er is als lezer geen ontsnappen aan, eenmaal je eraan begint.

Verplichte lektuur.




Tommy Wieringa - Dit Zijn De Namen (De Bezige Bij, 2013) ***


Ik had me voorgenomen om geen Nederlandse literatuur meer te lezen, tenzij van Jeroen Brouwers dan, maar om toch open te blijven staan voor mogelijke meesterwerken. Het hoerageroep rond Tommy Wieringa's "Dit Zijn De Namen", samen met het lovende juryrapport voor de Libris literatuurprijs, de publieksprijs voor de Gouden Uil, en de unaniem lovende kritieken in de pers deden me dan toch zwichten. En dan denk je, eindelijk iets uit eigen contreien dat de bleke middelmaat zal overstijgen, maar de realiteit is altijd lichtjes ontnuchterend. Lichtjes, want Wieringa's roman is niet slecht. 

Er zijn twee verhaallijnen die elkaar doorkruisen : een groepje vluchtelingen emigreert naar het "beloofde" land, en in hun doorkruisen van Oost-Europese steppes gaan ze van de ene ontbering naar de andere, en in de andere verhaallijn ontmoeten we een politie-inspecteur, Pontus Beg die zijn joodse roots ontdekt en een nieuwe identiteit zoekt in dat geloof. Uiteraard belanden de vluchtelingen uiteindelijk in het stadje waar Beg actief is en komen beide verhalen samen.

De thematiek en de structuur van het boek zijn sterk, zoals ook de beschrijving van de ontbering bij de vluchtelingen. Waar het een beetje mangelt is in de vanzelfsprekendheid waarmee dit alles gebeurt, de echte diepe gevoelens van de personages worden nergens echt uitgewerkt en uitgediept, of zeker niet sterk genoeg om echt mee te voelen met de personages, om onder hun huid te kruipen en echt mee te leven. Beg wordt jood alsof het een rationele keuze is die niets met geloof te maken heeft, de vluchtelingen creëren door de omstandigheden een vorm van bijgeloof of misschien zelfs een nieuw geloof, maar ook dit is eerder schetsmatig beschreven, alsof geen van de betrokkenen zich hier ook maar vragen bij stelt. 

Ook het personage van Beg is vreemd, hij heeft Confucius en Lao Tze gelezen, maar is even gewelddadig als corrupt, hij stelt zich vragen bij het leven maar aarzelt niet om zonder morele waarden te leven, of toch? De vrouwen zijn ook alle stereotiep afgebeeld : de hoer, de moeder, de vrouw ... Wieringa blijft steken in concepten, en slaagt er onvoldoende in om zijn personages persoonlijkheid te geven, om hen interessant of intrigerend te maken. 

Er wordt heel wat fysieke pijn geleden, maar de psychologie van de personages blijft oppervlakkig, alsof ze zelf niet worstelen met interne verscheurdheid of psychische pijn lijden. 

En voor een boek dat "het geloof" als thema heeft, is de benadering ook zeer oppervlakkig en eendimensionaal. Ook de schrijfstijl is vlak en beschrijvend, zonder karakter of "stem". Het eindresultaat is een middelmatige roman, die enkel een schouderophalende "tja" oproept, niet goed en niet slecht, en waar ging al die heisa eigenlijk over? 



Adam Johnson - The Orphan Master's Son (Black Swan, 2013) ***½


De roman speelt zich af in Noord-Korea, de communistisch fascistische dictatuur, met strafkampen waar niet enkel daders, maar ook de familie van daders de hongerdood sterven, waar stervenden leeg worden gebloed om plasma te hebben voor levenden, waar de leven honger leiden en elk minimaal comfort moeten missen, waar de hoofdstad enkel toegankelijk is voor wie een pasje bezit, waar luidsprekers verscheidene malen per dag uitschreeuwen wat de mensen moeten weten over hun goddelijke leider, over de nieuwe machinaties van de Verenigde Staten om hun paradijs omver te werpen, waar vrouwen aan mannen worden gekoppeld omdat de staat het zo beslist, waar apparatsjiks met hoge rang zelf hun vrouw mogen kiezen uit een aanbod van schoonheden, waar apparatsjiks dagelijks met de daver op het lijf door het leven gaan uit vrees voor een diepe val in ongenade, waar alle menselijkheid uit de samenleving geperst is, waar elk leefbaarheid verdwenen is, en waar de schijn wordt hoog gehouden dat dit de ideale maatschappij is.

In die samenleving baant Pak Jun Do zich een weg, als wees, als scheepsmaat, als nachtelijke kung fu geheim operator, als spion, als vervangingsechtgenoot van een in ongenade gevallen bons, als getrouwe van de Grote Leider zelve, die in de laatste hoodstukken zelf een prominente rol in het verhaal speelt.

Het verhaal is goed geschreven, bloedstollend van de wreedheid en meedogenloosheid, boeiend, met wisselende vertelperspectieven, inclusief hoofdstukken waarin de stem van het regime door de luidsprekers blaat en als een soort Grieks koor commentaar geeft bij de verhaallijn.

Maar tegelijk is het verhaal net iets té Hollywood-achtig, iets té Amerikaans, met een individu dat niet alleen van alle markten thuis is en de vreselijkste situaties overleeft, maar bovendien nog het regime verslaat - niets structureels echter, enkel persoonlijk - om voor zijn eigen waarden te kunnen opkomen, en zichzelf ook opoffert voor die waarden.

Het eindresultaat is dus gemengd - een mengeling van absolute horror en kolder, maar ik vrees zonder dat de auteur die kolder zo bedoeld heeft. En toch is dit boek meer dan het lezen waard.